In een krant las ik een recensie over een boek dat een beschrijving geeft van dromen over het redden van de wereld. Het boek had de titel ‘Fanatieke fantasten’. De recensent citeert een opvallende zin uit dit boek: ‘Fantasie in de betekenis van verbeeldingskracht is nodig om de wereld te begrijpen, plannen te maken en te dromen. Fantasie staat niet haaks op het gezonde verstand. Je kunt geen visie op de toekomst ontwikkelen zonder fantasie.’
Die gedachte blijft bij me hangen. Vaak wordt fantasie afgedaan als iets voor kinderen, een vlucht uit de werkelijkheid of een bron van naïeve hoop, maar in werkelijkheid vormt het de aanjager van vooruitgang. Zonder verbeelding zou niemand het aandurven om buiten de gebaande paden te denken en nieuwe mogelijkheden te verkennen. Fantasie voedt de moed om het onbekende tegemoet te treden en angsten te trotseren. Het is juist die combinatie van angst en moed, gevoed door een sprankje fantasie, die de wereld in beweging houdt en deuren opent naar een toekomst die nog niet bestaat.
En juist die moed om te fantaseren, merk ik, hebben we soms in ons leven zo hard nodig. Vooral moed om het onbekende tegemoet te treden. Zeker als ik denk aan die mensen die ik begeleid in de laatste fase van hun leven. Want deze mensen moeten de moed opbrengen om over hun eigen bestaan heen, dus over hun eigen ‘zijn’ heen, zich voor te stellen dat er een andere toekomst is. Een toekomst vanuit het begrip ‘niet-meer-zijn’. Die andere toekomst noemen wij spiritueel gezien geloven in een leven na dit leven. Ongelovigen vinden dat wellicht naïef en niet realistisch. Want je kunt het toch niet zeker weten dat er hierna iets is of dat het verder gaat na dit leven?
Maar juist in die onzekerheid, in dat niet-weten, schuilt misschien wel de grootste kracht van fantasie. Een fantasie gebaseerd op liefde. Het is geen blind geloof en ook geen vastomlijnde zekerheid, maar het vermogen om ruimte te scheppen voor wat niet te bevatten is. Fantasie vanuit liefde stelt ons in staat het onzichtbare te omarmen, het onbekende te verkennen en hoop te bewaren wanneer antwoorden uitblijven. In gesprekken met mensen in hun laatste levensfase merk ik telkens weer hoe waardevol het is om ruimte te laten voor die verbeelding: het biedt troost, verzacht het afscheid en geeft betekenis aan die onpeilbare en niet voor te stellen toekomst. Het laat ook ruimte voor het uiten en beleven van het geloof van deze mensen. Gelovige ervaringen die hen maar ook hun naasten bemoedigen, troosten en het leven zinvol maken.
Misschien is het niet zo belangrijk om te weten of er daadwerkelijk een leven is na dit leven. Belangrijker lijkt het dat de kracht van de verbeelding vanuit liefde ons helpt om het ongrijpbare dragelijk te maken, om nieuwe perspectieven te openen en het leven te verrijken met hoop en betekenis, juist op momenten dat het vanzelfsprekende verdwijnt. Zo wordt fantasie – naast angst en moed – een stille bondgenoot, die ons helpt om vol vertrouwen het onbekende tegemoet te treden.
Dus met geloof, hoop, liefde én verbeeldingskracht kun je dit leven blijven vieren. Daarnaast kun je wellicht de moed opbrengen om, als die tijd aanbreekt, gemakkelijker een overgang maken naar dat andere goede leven.